BELEGERING DER STARCKE STADT GROLLE
HOOFDSTUK XI

APPROCHES BEREIKEN BUITENWERKEN


Intussen hebben ook de approches van de Engelsen en Fransen de buitenwerken bereikt en wordt de stad nu van alle kanten aangevallen. Vanuit het noorden (bij de Nieuwe Poort) vallen de troepen van graaf Ernst aan, vanuit het zuidwesten rukken de Engelse regimenten op (nabij het tegenwoordige Schralenstein) en vanuit het zuiden vallen de Franse regimenten aan (ter hoogte van de Lievelderpoort).


V.l.n.r. de contrescarpe, de bedekte weg, de grachtt , de faussebraye en de wal

Ook hier worden door het Staatse leger een tiental batterijen gerealiseerd, die het vuur op de vesting openen. Tijdens de belegering worden van hieruit 150 kogels met elk een gewicht van 80 kilo (!) en 300 kleinere kogels die elk 13 kilo, ricghting de stad geschoten.

"Maer inzonderheit quelden de vuerballen den belegerden. De soldaten noemen die granaten, om dat zoo haest ze nedergevallen zijnde barsten, zig gelijk als in veele bezien verspreyden, lightelijk in brandt steekende al 't geen ze aenraken."

De kogels die binnen de wallen vallen eisen veel doden en gewonden onder de burgers en soldaten. Vooral het brandgevaar geeft de belegerden te denken, met name in verband met de grote kruitvoorraad in het kruitmagazijn (de Polvertoren) dat zich achter de oude Beltrummer Poort bevindt.

"Deze vreeze heeft den belegerden genoodzaekt het buskruyt, op dat het niet door aentreffen in brandt vlooge, uyt de gemeene voorraedtplaets te brengen onder het stadthuys en swaere balken, van booven bedekt met mest en aerde, daer op te leggen."

Vanaf de wallen van de veste worden de aanvallers in de approchen steeds beschoten en er wordt goed gebruik gemaakt van de zogenaamde faussebraye, een onderwal tussen de gracht en de hoge stadswal. Deze lage wal is voorzien van schietgaten, zodat de verdedigers "zelfs daer achter veyligh bedekt zijnde, den naekenden vyand, van naeby en recht op 't lijf konnen treffen."


VORIGE HOOFDSTUK VOLGENDE HOOFDSTUK